nageeflijk paard

Het ‘krulletje’

Controle en het ‘plaatje’

Voor veel (dressuur)ruiters is het de bevestiging van ‘goed rijden’: je paard nageeflijk aan de teugel. En dat is ook zo.

Maar wat je veel ziet is dat het paard in een ‘krulletje’ geforceerd wordt door de ruiterhand. Dat is geen nageeflijkheid. Hoe komt het dan toch dat veel ruiters dit doen?

  • Voor sommige ruiters geeft het ‘krulletje’ een gevoel van controle en durven niet echt ‘los’ te laten. Ze zijn soms bang dat het paard  ineens iets onverwachts doet. Ergens naar kijkt of wegschiet.
  • Anderen vinden weer dat het ‘krulletje’ er goed uitziet voor het algehele plaatje. Zij zien het mooie plaatje van bekende ruiters, die hun paarden in een correcte aanleuning (met welving in de hals) rondsturen. Dat willen zij ook. Als het er zo uitziet, dan is het goed. Ze kijken daarbij vaak alleen naar de hals en niet naar de achterhand. Wat ze vergeten is dat deze bekende ruiters al jarenlang aan het trainen zijn om hun paard op dat niveau te krijgen. Dat het plaatje er ook niet gelijk zo uitzag. Dat er een basisontwikkeling van jaren aan vooraf gaat, voordat het er zo uitziet.

Nageeflijk

Maar wat is dat nou eigenlijk dat ‘nageeflijk zijn van een paard’? Wat is het verschil met dat krulletje? Is er een verschil of is het gewoon hetzelfde? En is dat dan een doel op zich?

Nageeflijkheid van een paard is veel meer dan alleen de welving in de hals. Als een paard goed actief van achteren naar voren (over de rug!) loopt en het bit aanneemt, het kaak- en nekgewricht los laat, is het nageeflijk. En ja; dan ontstaat er ook een welving in de hals. Dat gebeurt vanzelf. Daar hoef je niets voor te doen aan de voorkant. Een nageeflijk paard is goed aan de hulpen. Je zit-, been- en/of teugelhulp komt door; het paard reageert daar zonder terughoudendheid of verzet op.

ingrid klimke

Ontspannen en nageeflijk

Wedstrijdreglement

“Nageeflijkheid is ‘losgelatenheid’ in nek en kaakgewricht, ontstaan vanuit een vermeerderde ondertredende achterhand. Onder aanleuning wordt verstaan de licht verende druk op de teugel die het paard aanbiedt als gevolg van de voorwaartse inwerking van de ruiter nadat deze contact heeft genomen. De aanleuning wordt in de loop van de africhting steeds verder vervolmaakt en moet zo worden ontwikkeld, dat het paard op de rechte lijn de teugels gelijkmatig aanneemt en in de wending of volte meer aan de buitenteugel komt. De juiste aanleuning kan nooit door een terugwerkende hand verkregen worden, maar moet als resultaat ontstaan doordat het paard van achter naar voren naar de hand toe gereden wordt. De aanleuning is op beide teugels gelijk als beide achterbenen evenveel aan de voortbeweging deelnemen. Aanleuning vertegenwoordigt de controle over het gehele paard. Aanleuning is een wisselwerking. Er is een actieve achterhand nodig om tot aanleuning te komen en er is aanleuning nodig om de achterhand in tweede instantie tot vermeerderde activiteit te laten komen.” (uit wedstrijdreglement dressuur KNHS)

Afdwingen

Probeer je de krul er in te rijden door ‘aan de voorkant’ via de teugels het paard te laten afbuigen, is dat geen nageeflijkheid. Dan is het afdwingen. De rug kan daar nooit op ontspannen en wordt hol in plaats van bol. Je bent dan de verbinding van de achterhand (de motor van het paard) en de voorhand kwijt. De achterbenen treden niet onder en bewegen zich ‘achter’ het paard en pushen alleen maar het paard naar voren zonder ruggebruik. Het hoofd van het paard komt dan vaak achter de loodlijn en de hals wordt te kort. Ook wel bekend als de ‘valse knik’ of ‘knikken in de derde halswervel’. En dat is allemaal geen nageeflijkheid.

blog krulletje

Gespannen en afgedwongen