teugeldruk

Teugeldruk

Iedereen die paardrijdt weet het eigenlijk wel. Een paard dat nageeflijk is, is licht in de hand. En dat willen  we allemaal: een fijn licht contact. Veel ruiters beginnen direct na het opstijgen met druk op de teugels om de hals te laten afbuigen. Soms zelfs nog voordat hij zijn eerste pas onder de ruiter heeft gezet… Het paard knikt of buigt zijn hals en laat het bit los. En als dat niet direct gebeurt, dan wordt er ook nog links en rechts een ophouding op de teugel gemaakt om toch die hals gebogen te krijgen. Ja, uiteindelijk buigt het paard en is er een licht contact.

Maar is dat echt nageven? Of is dat eigenlijk onttrekken aan het bit of achter het bit lopen om te ontkomen aan de druk in de mond? Want zeg nou zelf, als je de druk voldoende opbouwt, dan is er maar 1 uitweg voor het paard om hieraan te ontkomen: afbuigen.

Valse knik

Nageven is ontspanning in de kaken en mond van een paard. Bij zware druk op de teugels komt het paard tegen de druk in: het paard is tegen de hand en brengt zijn hoofd omhoog. Blijf je deze druk op de teugels houden of vermeerder je de druk, dan zal het paard hieronder uit willen komen en zijn hals inknikken. Dit gebeurt dan niet vanuit een ontspannen kaak. Heel vaak zie je dan dat het paard inknikt in de derde halswervel, ook wel ‘de valse knik’ genoemd. Dat is schadelijk voor het paard; omdat hij verder buigt dan de anatomie toelaat rekken banden en ligamenten in de hals te ver uit. Paarden die langdurig in deze halspositie worden gereden krijgen zeker blessures. Een dergelijke blessure in de hals heeft heel veel tijd nodig om te herstellen. Denk hierbij aan minimaal 1 jaar!

valse knik

een paard met een valse knik: de derde wervel is het hoogste punt in plaats van het achterhoofd (het gedeelte net achter de oren)

Een licht contact met de teugel: hoeveel is dat eigenlijk?

Eigenlijk is het antwoord heel eenvoudig. Het is het gewicht van de teugel zelf. Dat is voldoende. Neem je teugels tussen je vingers en zorg dat je het bit heel licht aan de andere kant van je teugels voelt. Meer is het niet. Een lichte verbinding dus.

  • Een paard moet ZELF het contact naar het bit zoeken. Niet de ruiter naar het de mond van het paard; dan werk je teveel terug. Het paard krult dan met zijn hals op en brengt zijn neus naar zijn borst. In plaats van de neus naar beneden naar het zand en daar het bit vinden en aannemen. Je geeft met de lengte van je teugels aan hoe ver je paard mag strekken naar het bit. Dat is jouw en zijn begrenzing.
  • Betekent dat dan rijden met een losse teugel? Nee, je moet wel contact houden. Voor als het nodig is om een correctie te geven op 1 of beide teugels. Ook dat is dan heel licht; een klein kneepje in de teugel(s) als correctie of stelling in de hals vragen.

Er zijn tegenwoordig zelfs apparaten die meten hoeveel teugeldruk de ruiter heeft met de paardenmond. Als je weet hoe gevoelig een paardenmond is (de lagen, de tong, het verhemelte), dan snapt iedereen dat je maar heel weinig nodig hebt om je paard met een bit aanwijzingen te geven. We moeten ervoor zorgen dat het paard ZELF het contact gaat zoeken naar het bit en niet het alvast ‘halen’ aan de voorkant, omdat wij het geduld niet kunnen opbrengen om te wachten totdat het paard zelf zijn kaken ontspant en het bit (onze hand) opzoekt.

Ruggebruik

Een paard dat zelf veel druk op de teugel neemt is een paard dat onvoldoende de rug gebruikt. Dat los je niet op met een ander bit, een grotere druk op dat bit of een teugeldrukmeter. Dat los je op door te zorgen dat de rug voldoende ontwikkelt. Pas als een paard voldoende zijn rug kan gebruiken, zal hij niet meer op jouw handen hangen. Waarom zou hij? Maar zorg jij er dan voor dat je niet meer dan het gewicht van de teugel in je handen hebt. En dat nageven? Dat gaat dan echt vanzelf. Daar komt geen teugeldruk aan te pas.